Een buurt in een buurt

Men leefde hier in ongezonde, verkommerde huurhuizen. Zoals overal in de stad was er woningnood.  Men bouwde ook beluiken voor de fabrieksarbeiders. Sporen van zo’n een beluikje vinden we nog in het Zilverhof nr. 20. Maar nog erger dan in de beluiken waren de woontoestanden in de logementshuizen. Men huurde er niet eens een kamer maar een bed. Blijkbaar waren er toen ook al huisjesmelkers!

In 2003 ging de Stichting Prinsenhof op zoek naar mensen die hier tussen de beide wereldoorlogen gewoond hadden.  De interviews werden gebundeld in een uitgave:

Heel ’t Prinsenhof, dat was eigenlijk een dorp op zijn eigen? Herinneringen van buurtbewoners.

Men vertelde o.m. over bekende figuren die de wijk kleur gaven: Piere de pinne, Jan de zot, Pierre banane, Stanse den bras, Tuur de blageur,  Mance de taaie, de Klopperige, Irma sloeze, Mietje kilo, Jeanneke… Net als de namen van de Bourgondische hertogen behoren ze sedertdien tot het collectieve geheugen van onze buurtgemeenschap!  

Deze mensen waren heel arm. Er was veel werkeloosheid. Wie wel werk vond in de fabrieken bleef er nog steeds beroerd aan toe. Dat werk was vaak gevaarlijk en ongezond en de werkdagen waren lang: vijftien uur was geen uitzondering. Daarbij bleven de lonen laag, want er was nog steeds een overschot aan werkvolk. Om de armoede het hoofd te bieden, moesten vrouwen meewerken en in veel gevallen de kinderen ook.

De allerkleinsten konden naar de Sint-Michielsschool. Zij mochten het gebouw binnen via de Prinsenzaksteeg, het huidige Sanderswal. De betere klasse kwam binnen via de poort in de Rabotstraat! Na een korte schoolcarrière gingen de arme kinderen ook werken in de plaatselijke textielfabrieken.

De allerarmste bewoners konden dagelijks terecht in het klooster in de Molenaarstraat voor een kom soep en bij  pater Zoldermans in ’t Prinsenhof kregen ze soms een broodkaartje en kolen.

De volwassenen werkten in ploeg. Aangezien er niet in elk huisje een wekker voorhanden was, kwam heel vroeg in de ochtend de Klopperige de mensen wakker kloppen. Ze woonde midden de Varkensstraat en kreeg hiervoor 1 frank per week klopgeld.   

In heel wat huizen was geen kraantjes water voorzien. Eénmaal per week ging men in Ramen naar de stedelijke stortbaden.

Nele den bril en Anneke baorevoets  waren gekend en geliefd als achterwaortserigge. Zij hadden geen diploma, maar ze hielpen bij de geboorte die steeds thuis plaats vond.

De mensen kenden elkaar, steunden elkaar en zaten ’s avonds graag aan hun deur wat te komeren.

Maar er werd ook veel gevochten in deze wijk. Eén verkeerd woord en er ontstond ruzie! Pier Geirnaert, Tuur citroen en de Schoenpinne waren beruchte vechters. Met enige zelfspot sprak men van de Avenue du Crapuul.Midden alle ellende werd er blijkbaar ook veel plezier gemaakt. Lang voor wij ons buurtfeest organiseerden, werden hier elk jaar de huizen versierd om feest te vieren. Het buurtfeest was hét evenement van het jaar!

Feest was er overigens altijd in de talrijke cafés. De bekendste waren:  Philemon, Café Charles, De Paardenkop. Bij Philemon kon men ook logement vinden.  De Tinnenpotstraat werd de valiezenstraat genoemd wegens het groot aantal logeurs die vaak van het ene logementhuis naar het andere verhuisden. 

Tot zover dit stukje sociale geschiedenis.

Afbeelding onder: Jaak Van Vooren, e.a. Heel ’t Prinsenhof, dat was een dorp op zijn eigen. Herinneringen van buurtbewoners in beelden en verhalen, Stichting Prinsenhof,2003,  110

Afbeelding
Jaak Van Vooren, e.a. Heel ’t Prinsenhof, dat was een dorp op zijn eigen. Herinneringen van buurtbewoners in beelden en verhalen, Stichting Prinsenhof.jpg